Geachte Wereld,
Voilá, mijn eerste weblog, hoewel die term waarschijnlijk totaal niet de goede is. Een eerste weblog suggereert namelijk dat er in een verre of nabije toekomst meer zullen komen en waarom zou ik een tweede weblog beginnen als het eerste nog voldoet? Laat ik het anders formuleren: dit is mijn poging tot het bijhouden van een weblog en als deze faalt, dan weet ik dat bloggen gewoon niet mijn roeping is en ben ik weer een stap verder op mijn weg van zelfontplooiing. 0=)
Ik denk dat ik deze eigen webruimte ga gebruiken om wat losse flodder/fladdergedachten een plaats te geven en om beginnende verhaaltjes die in mijn hoofd groeien een digitale variant van water en zonlicht te geven, zodat ze misschien (eindelijk) uit kunnen groeien tot meer dan een handvol onsamenhangende hersenspinsels.
Ik ben benieuwd. =)
________________________________________
Andere vrijetijdsfilosofen en gedachtenschrijvers
-
Jaap
-
Eva Luna
-
Bregje
-
No Bravery
-
Suushi
-
Esra
-
Mina
-
Daily Disaster Girl
-
Rutger
-
Beautiful Smile
-
Я. PrO_Ost
Archive
Midden in het open veld, waar gras en bloemen broederlijk naast elkaar groeiden en waar de beschutting van de bomen slechts enkele koprollen en hinkstapsprongen verwijderd was, lag een meisje. Op haar buik. Haar kin rustte op de palm van haar rechterhand, terwijl ze met haar linker de fluweelzachte blaadjes van een klaproos streelde. De klaproos giechelde in de zachte bries; het meisje giechelde toen het hoge gras haar armen en voetzolen kietelde. De zon streelde haar huid en zond vlinders om op haar neus te komen zitten. De wind vertelde haar verhalen van ver weg en lang geleden. Haar herinneringen aan de winter waren gesmolten.
Plots werd de zon verduisterd door iets dat veel groter, want veel dichterbij was dan een wolk Het was een grote kleurrijke ballon, met vaantjes en wimpels en zelfs een verwarde windhaan. Het meisje keek vol ontzag naar het gevaarte. Het duurde even voor ze het rieten mandje opmerkte dat er bijna onopvallend onderaan bungelde. In het mandje stond een jongen, leunend over de rand. Zijn zandkleurige haar zag eruit alsof het niet wist hoe ‘t netjes moest zitten, maar zijn gitzwarte ogen straalden als sterren. Het meisje vroeg zich af of hij haar kon zien door de glans in zijn ogen.
Hij zwaaide naar haar met twee handen tegelijkertijd, maaide zijn armen door de lucht alsof hij weg wilde vliegen zonder zijn ballon mee te nemen. Het meisje glimlachte en richtte zich op. “Ahoy!” riep de jongen in de luchtballon.
“Hallo!” riep het meisje en zwaaide terug.
“Kom me me mee!” riep de jongen.
“Waarnaartoe?”
“Naar ginder!”
“Wat is er ginder?”
“Weet ik niet. Daarom ga ik ernaartoe!”
Het meisje lachte en de jongen liet een touwladder naar beneden tot vlak voor haar voeten.
“Kom, voordat ‘t te laat is!”
“Te laat voor wat?”
“Voor het leven!”
“Maar we leven toch al?” fronste het meisje.
“Ik wel, maar jij niet!”
Het meisje keek naar haar handen en haar voeten tussen de bloemen en het gras.
“Waarom leef ik niet?”
“Jij hebt geen luchtballon!” De jongen was doodserieus, maar het meisje moest weer lachen.
“Dus je gaat niet mee?”
“Nee. Ik heb nog niet alle bloemen leren kennen. Ik ga zelf wel een keer naar ginder. Door het bos.”
“Weet je ‘t zeker?”
Het meisje knikte.
“Dat je ooit zult gaan, bedoel ik. Naar ginder.”
Ze keek verward omhoog naar de jongen in het mandje.
“Nee, ik weet ‘t niet heel zeker.”
“Maar je moet mee naar ginder! Anders leef je niet!”
Het meisje zweeg.
“Je gaat dus niet mee?”
Ze schudde haar hoofd.
“Ook goed.”
De jongen dook terug in het mandje en even later steeg de ballon weer op. Hij dreef af naar ginder en gaf weer ruimte aan de zon, die onmiddellijk het opgeheven gezicht van het meisje verwarmde. Terwijl ze de luchtballon over de boomtoppen zag verdwijnen, welde er een geachte op in haar hoofd, als een vlinder die uit een cocon ontsnapt. Zou de jongen in de luchtballon ooit landen?
Er was eens een meisje dat een brug was. Ze spande over een rivier en onder een hemel. Op goede dagen was de hemel helder blauw, sereen en eindeloos; de rivier was een rustige stroom, zo helder, dat het meisje de kiezels op de bodem kon zien dansen. Op slechtere dagen was de hemel donker, asgrauw en gromde ze als een beest; de rivier was dan een kolkende massa schuimende watervlokken.
Het brugmeisje was een beetje bang voor de rivier - zowel voor haar heldere diepte als voor haar kolkende oppervlak. Het meisje hield echter zielsveel van de hemel, die altijd op haar neerkeek en zich over haar ontfermde, uitstrekte als een beschermende hand, een deken. Wolken waren zoete, zachte kussentjes en de zonnestralen zo warm als een regen van liefdeskusjes. Wanneer het regende voelde het brugmeisje zich verraden door de lucht. Haar vriend en toeverlaat spande samen met de rivier! O, wrede liefde! Wispelturig lot! Het waren echter ook altijd weer de stralen van de zon en de zachte adem van de wind die haar deden drogen. Ze kon nooit lang boos blijven op de hemel.
Het meisje dat een brug was, wist zichzelf het centrum van de wereld. Ze bevond zich immers tussen de hemel en de rivier, tussen de ene kant en de andere kant. Haar voeten rustten op een groene weidegrond en haar uitgestrekte handen op de zacht mossige grond van een loofbos. Een loofbos was een ongewoon gezicht op deze hoogte en het brugmeisje genoot er met volle teugen van. De kleuren in de herfst en de lente, de geuren van ouderdom en wedergeboorte, de geluiden van dieren en dansende bladeren. Het bos was een plaats vol beloften, de weide één van zekerheid.
Het zou vele jaren duren voordat het bij het brugmeisje zou beginnen te dagen dat het bos en de weide er niet waren om haar houvast te geven, maar dat zij er was om hen beiden te verbinden. Dat ze er was als opluchting voor verdwaalde reizigers, als troost voor doolaards of simpelweg als brug voor hen die wilden oversteken.