5th
De man op het station
Op het station woont een man met een pak kranten onder zijn arm. Hij heeft geen naam. Hij is nooit geboren, komt nergens vandaan en kan daarom nergens heen. Hij leeft, maar bestaat niet.
De man op het station staat er elke dag. Hij houdt van mensen, van zonnige dagen, van fruitige ijsjes en van een vriendelijk gebaar. Hij hoeft niet te eten, als hij maar kan lachen. Hij heeft een hoofd vol verhalen, al zijn ze geen van allen van hem. Hij heeft immers geen eigen verhaal, want dat heeft niemand ooit voor hem opgeschreven.
“Mooie dag voor mooie mensen. Mooie krant voor mooie mensen. Mooie mensen, mooie mensen. Goededag, mooie mensen. Mooi weer voor mooie krant en mooie mensen.”
De man op het station met de kranten onder zijn arm heeft geen tegenhanger van inkt en papier. Het enige dat hij ongeveer zeker denkt te weten is dat hij niet hier vandaan komt. Waar ‘hier’ ook moge zijn en wat zijn ‘daar’ zou moeten wezen.
Ik heb hem een keer zien huilen. De man op het station huilde om wie hij niet was, om wie hij nooit zou zijn, omdat hij vastzat in een bureaucratisch net van onmogelijkheden. Wie geen identiteit heeft, kan geen nieuwe krijgen.
Sans-papiers wonen in de blinde vlekken van onze maatschappij, waar niemand hen kan zien of helpen. We kunnen alleen maar wijzen en staren en doen van ‘aaaaww’ en één euro tachtig betalen voor een daklozenkrant en dan weer verdergaan met ons legale, uitgestippelde en volledig gedocumenteerde leven.
De man op het station heeft geen toen en daar en straks en later. Hij heeft alleen het hier en nu en waarschijnlijk regelmatig honger. En hij heeft een glimlach, een vriendelijk woord en oneindige dankbaarheid voor iedereen die even met hem komt praten. Want ook al bestaat hij niet, deze papierloze, naamloze, ouderloze, allesloze stationmeneer: hij leeft wel. En hoe.