18th
Tijd is Alles.
Er was eens een meisje met lange koperen haren, die ze het liefst als een mantel los over haar schouders liet vallen. Ze hield van de warmte en het gewicht van haar haar op haar rug en lachte als het voor haar ogen viel en de wereld tijdelijk verdween. Het meisje met de koperen haren had twee ogen, zoals bijna ieder ander meisje, maar het waren ogen van mens noch dier. Haar linkeroog was een saffier en haar rechter bestond uit pure smaragd - daarom schitterden en flonkerden ze bij het minste licht, bij het dunste zonnestraaltje of de zwakste kaarsvlam.
Maar het meisje met de edelstenen ogen zag niet vaak de zon of een kaarsvlam of wat voor licht dan ook. Haar huid was van porselein en bespikkeld met roestvlokjes. Ze was nog nooit naar Buiten geweest. Ze wist niet eens zeker of er wel zoiets als een Buiten bestond, maar ze geloofde erin. Ze wilde er zo graag in geloven, dat het voor haar een werkelijkheid was geworden. Voor haar was er een Buiten met zon en kleuren en vuur van kaarsen en open haarden en de geur van bloemen en gras – ze was er alleen nog nooit geweest.
Het meisje met de koperen haren woonde in een eeuwenoud, verroest maar gestaag lopend horloge. Ze leefde tussen de raderen en schroefjes en kende geen ander geluid dan het ratelen en tikken van het uurwerk. Ze dacht dat zij er van binnen ook zo uit zou zien: een groot complex van raderen en tandwieltjes die eindeloos doordraaiden om haar in leven te houden.
Maar op een dag – het moet een donkere en koude winterdag zijn geweest – liet iemand het horloge vallen. Het sprong niet open, het ging niet kapot, maar er kwam een deuk in de zijkant, zodat de achterkant niet meer goed op de voorkant sloot. Het scheelde niet meer dan een millimeter, maar voor het meisje met de koperen haren was het genoeg om te zien dat er een Buiten was. Maar het was absoluut niet zoals ze het zich had voorgesteld. Buiten was geen zon, maar een deprimerend grijs licht dat naar binnen sijpelde als een vergif. Dit winterse semi-licht werd vergezeld door ijskoude wind, die aan de lange koperen haren van het meisje rukte, waardoor ze verstrikt raakten in de tandwieltjes van het horloge. Het meisje huilde diamanten.
Op de negende koude, grijze dag besloot het meisje dat, als er geen Buiten bestond, ze maar Binnen moest gaan leven. Ze keerde haar saffieren oog naar boven en haar smaragden ook rolde terug in zijn kas. Maar het tikken van het uurwerk werd een constante martelende herinnering aan waar ze was en vooral aan waar ze niet was. Dus om zich nog beter te kunnen verliezen in haar Binnen, veranderde ze haar oren in schelpen. Vanaf dat moment hoorde ze alleen nog maar een wonderbaarlijk geluid van rust en stilte en belofte. Een ruisen dat in alles tegengesteld was aan het eeuwige tikken dat ze kende en gewend was.