31st
Ik stierf tevreden
Eergisteren lag ik in een doodskist en heb ik een Engel ontmoet. Het was mijn eerste bijna-doodervaring en niet eens een echte. De Engel, een lieve Vlaamse gekleed in een witte jurk, stelde me vragen waar ze geen antwoord op verwachte. Geen inhoudelijke en verbale reactie in ieder geval, maar eerder een glimlach, een frons, het kort sluiten van de ogen of een nauwelijks waarneembaar knikken. Ach, ik weet niet of ze dat verwachtte: het was vooral de manier waarop ik haar liet merken dat ik luisterde en nadacht. De antwoorden borrelden naar de oppervlakte, waar ze zich behaaglijk op mijn tong nestelden, maar te schuw bleken om zich voorbij mijn lippen te begeven.
“Als jij er niet meer bent, zal er dan een zee van tranen zijn, of slechts een vingerhoedje vol?”
Ik had geen idee, maar ik merkte dat ik dankbaar zou zijn voor elke traan die om mij zou worden vergoten. Ik besefte dat ik geen tranen verlangde, maar herinneringen. Tranen zijn een verschrikkelijk slechte indicatie voor verdriet, is mijn ervaring. En wie zou toewensen dat zijn nabestaanden verdrietig zijn? Als ik maar word herinnerd, hoeft niemand om mij een traan te laten.
“Ben je wie je wilde zijn?”
Een glimlach: ik ben er nog niet, maar wel goed op weg. Als ik nu zou gaan, zou ik in ieder geval mijn best hebben gedaan.
“Zal de wereld op houden als je lichaam afkoelt, je bloed in je aderen bevriest en je ogen met ijskristallen worden bedekt? Of zal er niets veranderd zijn?”
Ik geloof dat ik fronste bij de onmetelijk arrogante gedachte dat m ijn aan- of afwezigheid enige invloed zou hebben op de wereld. Ik glimlachte ontspannen bij de suggestie dat de wereld zich wel zou redden zonder mij. Moet je je voorstellen dat de verantwoordelijkheid voor het voortbestaan van de wereld af zou hangen van jouw ademtocht. Ik hoef geen Atlas te zijn.
“Zij die je kenden zullen je missen. Zij die je dachten te kennen,” voegde ze er met een glimlach aan toe.
Ik geloof niet in absolute kennis. Het absolute kennen zou inhouden dat er een absolute waarheid is. We zeggen dat we iets of iemand kennen als we ons een beeld van hem hebben gevormd waarmee we zijn gedragspatroon kunnen voorspellen en verklaren. We houden echer geen rekening met onuitgesproken geheimen, verleden, dromen, wensen en hoop. Ik ken niemand en niemand kent mij, maar ik heb mezelf omring met prachtige ideeën van mogelijke mensen, die misschien de “werkelijke” persoon benaderen en misschien ook niet. Ik kan alleen maar hopen dat anderen zich een waardevol beeld van mij hebben gevormd.
“Ben je bang voor de dood, of ben je nieuwsgierig?”
Een klein glimlachje trok aan mijn lippen toen ik me realiseerde dat ik niet bang, noch nieuwsgierig was. Ik zou hooguit bedroef zijn dat het zo snel weer voorbij was: ik had nog zoveel meer willen doen, beleven, meemaken, zien, veroorzaken. Maar geen spijt, geen angst. Ook geen nieuwsgierigheid naar iets dat onkenbaar is, naar iets dat niet eens bestaat buiten het bewustzijn.
Ik vertrok met een zijdezacht gevoel van tevreden opluchting. Ik kreeg een bevestiging van wat ik eigenlijk al wist: ik ben op de goede weg en het enige dat ik hoef te doen is genieten van de reis, de bezienswaardigheden en ontmoetingen onderweg.
Ik hou van theater ^-^.