12th
Hallo, vaarwel.
Ik realiseerde het me niet, tot ik omkeek. Je was me niet gevolgd, was niet vooruit gerend om me enthousiast in de kromming van de weg op te wachten, noch was je even van het pad gedwaald om een eind verderop weer bij me terug te komen. Ik draaide me om en keek naar je, jij naar de grond. Je bent blijven staan waar je stond, waar je misschien altijd al hebt gestaan. Heb ik je ooit zien bewegen? Ik geloof dat je probeerde een stap te zetten, aanstalten maakte met me mee te lopen, maar ik heb me vergist. Je hebt je niet verroerd.
Zij liep achter ons. Een paar passen maar, het scheelde niet veel. Het lijkt of je op haar wacht, maar ik weet dat je ook haar voorbij zal laten lopen. Je zult niet bewegen, niet omdat er iemand langs loopt. Misschien wacht je tot de weg is verlaten, de nacht is gevallen, de bomen zijn gestorven van ouderdom of verdriet.
Ik draai me om en vervolg mijn weg, vastberaden. Als ik een laatste keer achterom kijk voordat ik de bocht neem, zie ik hoe ze even bij je blijft staan en je hand neemt. Maar ik weet dat ze uiteindelijk verder zal gaan en jij daar alleen en stil achter zal blijven.
Ik hoop dat je een sprint zult trekken, recht door het onbekende, recht door de massa van gedoornde struiken en striemende takken, tot je plotseling weer voor me staat. Gehavend en hijgend, maar trots met een lach op je gezicht. We zouden samen verder kunnen lopen, kleine man.
Maar je bent niet meer dan een grote jongen, die bang is voor wat er voorbij de kromming van de weg zou zijn.