19th
Spelletje?
Gisteren heb ik een jongen ontmoet die heel hard zijn best deed om niks kapot te maken, om niemand pijn te doen. Hij deed daar zo erg zijn best voor, dat hij zijn wilde uitspattingen ergens opsloot, zodat ze er nooit, nooit, nooit meer uit zouden kunnen. En zo raakte de jongen gefrustreerd, zonder dat hij er uitdrukking aan kon geven.
Het begon in een loods, die voor de gelegenheid was omgebouwd tot woon-/wachtkamer. Er stond een rode bank, een stoel met een kussentje erop, een kastje met een schemerlampje en een tv in een denkbeeldige hoek. Op het kastje lag een gebruikt stuk blauw stoepkrijt. Het enige wat ik wist, was dat ik zou worden opgehaald. Dus ik wachtte.
Plots stapte er een man binnen in smoking, met naast zich aan een riem een drentelend hondje. Hij droeg een literfles Prosecco onder zijn arm. Hij verzekerde me dat hij ‘er niet bij hoorde’ en probeerde de fles te ontkurken met een nijptang. Zijn hondje poepte op de vloer. Uiteindelijk werd ik opgehaald door een lange, slanke, blonde, jonge vrouw. Ze nam me mee naar de voordeur van een huis om de hoek en zei dat zij alvast naar binnen ging en dat ik haar mocht volgen als het licht aan ging en er een muziekje begon te spelen. Ik knikte en wachtte tot ik naar binnen mocht.
Eenmaal binnen betrad ik een ruimte die volledig was bekleed met, nee zelfs was opgetrokken uit bubbeltjesplastic. In het midden stond een televisie die niet was aangesloten; de stekker lag als een nutteloze staart in het plastic. Tegenover de televisie zat een jonge man in de diepe vensterbank. Hij keek niet op toen ik naast hem ging zitten, dus bekeek ik hem tot hij zich tot mij wendde. Hij was kalend en had geprobeerd dat te verbergen door zijn hoofdhaar heel kort af te scheren. Hij had een baardje van een paar dagen. Toen hij me aankeek en begon te spreken - hij verontschuldigde zich voor zijn preoccupatie met de televisie of zijn eigen gedachten - zag ik dat hij warme hondenogen had en een vriendelijke mond. Ik mocht hem wel.
Hij begon me te vertellen over toen hij een keer bij een vriendje was gaan eten en de glazen designtafel opzettelijk aan diggelen had geslagen. Tijdens het eten! Hij toonde zijn berouw en zijn angst ooit nog iets kapot te maken of mensen pijn te doen. Het bubbeltjesplastic kreeg opeens een ietwat obsessieve betekenis. Hij vroeg mij of ik wel eens iets opzettelijk kapot had gemaakt, maar ik kon me zo niks herinneren. “Nooit een zandkasteel vertrapt? Iemands sneeuwpop omgeduwd? Een ruit ingegooid?” Nee. “Hmm. Heb je wel eens over je heen laten lopen? Iets niet gezegd? Een keer niet teruggeslagen?” Toen wist ik zeker dat deze jongen (al was hij eigenlijk een man, hij kwam over als een jongen) zichzelf kapot aan ‘t frustreren was door zelf opgelegde grenzen. Maar zijn angst dingen te breken (zowel materieel als emotioneel) was niet de enige grens die ik tegenkwam in mijn gesprek met hem. Terwijl ik heel graag met hem wilde praten, beschouwde hij ons samenzijn vooral als een theaterstuk waarin hij de monoloog deed, mij af en toe iets vroeg (voor de vorm), zonder daar echt inhoudelijk op in te gaan. Ik voelde me gedurende het gesprek een beetje gepasseerd, alsof ik er eigenlijk niet was. Hij kwam een heel klein beetje los toen we een spelletje gingen spelen (Pim-Pim-Pet), maar aan het eind keerde hij weer in zichzelf, een zelf dat hij weer naar mij toe keerde. Het was alsof er een man stond die een foto van zichzelf voor zijn gezicht hield; een plaatje waar je wist dat er een persoon stond.
Plotseling haalde hij een moker tevoorschijn van onder het plastic in een hoek. Ik schrok en wachtte af. Ik kende deze man niet en toch ergens weer wel. Ik geloofde dat hij mij niets aan zou (kunnen) doen, maar wat was hij dan wel van plan? Hij reikte me een veiligheidsbril aan en zette er zelf ook een op. Daarna hief hij de moker boven de tv - ik geloofde dat hij zou toeslaan - en liet de hamer neerkomen zonder iets te raken, onder het luid geschreeuw van allerlei cartooneske geluidseffecten. Boom! Bang! Beng! Kabam! Ik begon hem nog sneuer te vinden.
Arme jongen.
“Zou jij ‘t doen?” Natuurlijk! Ik sprong op van de vensterbank, eiste de moker op en ging al klaar staan. Ik zou hem laten zien hoe je een oude tv in elkaar kon meppen! Ik zou hem bevrijden van zijn persoonlijke grenzen en frustraties! Hij zette een eierwekker en ging op de gang staan; ik wachtte tot de wekker zou gaan en hoopte dat hij stiekem zou kijken.
De wekker rinkelde, ik hief de moker en liet ‘m neerkomen op de tv. Het scherm werd verbrijzeld en ik sloeg nog een keer toe. Dit keer brak de moker door de bovenkant van de tv en raakte iets van binnen. Het rook naar vuurwerk, iets brandends, kruidigs. Gefascineerd door de ravage bestudeerde ik mijn werk, tuurde in de ingewanden van de vermoorde tv, rommelde nog wat met de moker. Ik besloot dat ik voldoende schade had aangericht en zorgde ervoor dat ik de moker en het Pim-Pam-Petspelletje zo netjes mogelijk terug legde op de vensterbank. Ongetwijfeld de terugslag van de rotzooi die ik had gemaakt. Ik pakte mijn spullen, keek nog een keer naar de televisie en maakte me klaar om de jonge man te vertellen van de ravage, om hem te laten zien hoe ontzettend ‘t op kon luchten om je af en toe gewoon te laten gaan.
Hij was er niet meer.