1st
"We hebben besloten..."
Je begon zo nuchter aan een van de moeilijkste dingen die je ooit zou moeten zeggen.Maar toen je bij die ene zin kwam - “We hebben besloten…” - viel je stem uiteen in tranen, die me alles vertelden wat ik vermoedde, maar niet had willen denken.
“We hebben besloten…”
Ik kwam terug om haar te zien, al was zij het niet meer, al was het geen haar meer. Het lag in het bed op de intensive care, in een kamer temidden van meer, waarin machinemensen lagen die met slangetjes waren gebonden aan hun uitwendige organen. Het lag op het bed en het was zo grauw, zo onherkenbaar kleurloos dat ik het niet wilde zien.
Het was dood en zij was weg.
Ik heb gehuild in de bus, toen ik begon te beseffen wat er ging gebeuren, wat er was gebeurd. Ik hoorde haar zeggen dat de kaboutertjes de afwas hadden gedaan, en huilde. Ik zag voor me hoe ze weer een beschuitje met gestampte muisjes at en kreeg zelf zin in een beschuitje en dacht aan een versje van John O’Mill (Kleine muisjes hebben kleine wensjes; een beschuitje met gestampte mensjes), en huilde. Ik herinnerde me een gedichtje dat ze ooit in mijn poëziealbum heeft geschreven, een gedichtje waar ik een liedje van had gemaakt, en huilde.
Ik hoorde haar weer zeggen, op haar meest brutale, baldadige toon “Ja, poep!” als ze het ergens op een goede dag niet mee eens was, en lachte. Ik herinnerde me een versje - God, wat hield ze van versjes - dat ze tot haar levensmotto scheen te hebben gebombardeerd en soms als een mantra voor zich uit mompelde (Een meisje en een glaasje wijn verdrijven alle nood, want wie niet drinkt en wie niet kust, die is zo goed als dood), en lachte. Ik hoorde haar weer totaal uit dunne lucht, uit het blauw, uit het niets een onverstaanbaar Frans liedje begon te zingen, en lachte.
Ik hoorde hen praten over haar alsof ze nog niet weg was, alsof ze nog aanwezig was, maar niemand precies wist waar dan en hoe dan. “Ze is nu hier en daar en gaat morgen naar zus en zo” hoorde ik. “Ja, dat pakje staat haar altijd zo leuk,” zeiden ze. “Och, dat vind ze vast niet erg,” werd er gezegd. Ik keek om me heen en besefte dat voor hen, die bij haar (toen het nog een haar was) hadden gezeten en gehuild, getwijfeld en gebeden, ik besefte dat voor hen de verleden tijd nog niet was ingetreden.