25th
Het Meisje & de Maskerman
Ik klopte aan bij zijn Ivoren Toren, met een verwachting van ontdekkingen, een antwoord voor mijn nieuwsgierigheid, verhalen voor mijn zucht naar avontuur. Misschien verwachtte ik zelfs inspiratie te vinden binnen die ivoren muren. Inspiratie en uiteindelijk - wie weet, ik hoopte - erkenning.
Hij deed niet open, maar stond me wel te woord. Hij schreeuwde vanaf het balkon van zijn Ivoren Toren naar beneden, zijn handen als een toeter aan zijn masker, op de plek van zijn mond.
“Wie ben je? Wat wil je?”
“Ik ben nieuwsgierig,” zei ik, “en ik wil leren.”
“Wat doe je hier dan, kind? Wij zijn slechts de boekhouders, de bewakers, die alles weten en niets meer leren. Ga leren, klein onwetend schepsel, opdat je ooit deze toren zult kunnen betreden.”
Hij had gelijk en ik wist het, maar dat was niet wat zo’n pijn deed. Wat echt stak, prikte, brandde, was zijn medelijden met een dergelijk onwetend, infantiel mensje dat hij voor zijn deur zag staan. Even, heel even maar, was ik hem en keek op mij neer en ik verachtte zijn medelijden, dat een moment het mijne was. Ik boog mijn hoofd en liep weg, in de wetenschap, de onwrikbare zekerheid, dat hij me hoofdschuddend na zou kijken, tot ik mijn horizon zo ver had verlegd, dat ik uit zijn blikveld was verdwenen.
Ik probeerde mezelf te kalmeren met de gedachte dat de Ivoren Toren waarschijnlijk toch leeg was van binnen. Leeg en tochtig en galmend als een schreeuw om hulp in een lege borstkas. Maar vooral koud, zo koud…
Ik huiverde, liep naar het strand en bouwde een zandkasteel.