3rd
(On)vergetelijk
Ik denk aan je, maar het is niet zomaar een denken - het is een onmogelijkheid om niet te denken. Als ik probeer niet aan je te denken, denk ik om je heen en daarom weer aan jou. Je naam staat in het boek dat ik willekeurig open sla. Je lach achtervolgt me geluidloos, overvalt me, omhult me en laat me hulpeloos achter. Ik lach en denk aan je. Alweer.
Ik heb uren naar je gekeken. Ik heb je pas, heel pas geleden nog gezien. Maar als iemand me zou vragen naar de kleur van je ogen, zou ik niet weten wat te zeggen. Wanneer iemand me zou vragen naar de vorm van je voorhoofd, de kromming van je neus, de lijn van je kaak, ik zou het antwoord schuldig moeten blijven (niet in de laatste plaats aan mezelf). Je blik is me niet ontgaan, maar wel ontschoten. Ik kan je niet vergeten, maar me je gezicht niet herinneren. Ik geloof dat ik je mis zonder je te kennen. Dus rest me niets dan me te verwonderen over de ondoorgrondelijke wegen van het menselijk brein (in het algemeen) en het mijne in het bijzonder.