19th
Na regen komt suikerspin
In de zevende hemel zweven wolken. Honderden, duizenden drijvende kolossen van watten en suikerspin, van slagroom en knuffelbeervulling. (Van miljarden diwaterstofmono-oxidemoleculen in gasvorm, maar dat wil niemand horen.) Zo’n wolk wordt almaar groter, niet alleen omvangrijker, maar ook steviger, dichter, intenser.
Totdat hij afkoelt. Een bekoelde wolk verliest zijn vorm, wordt iets anders en stort in onder zijn eigen gewicht. (In tegenstelling tot slagroom.) De wolk valt uit elkaar in tranen, in stukjes wijlen suikerspin, die met een misselijkmakende rotgang door zes hemels naar beneden suizen en op steenharde stoeptegels en dakpannen te pletter vallen. (Daar beneden zullen kinderen met open mond en uitgestoken tong proberen de druppels op te vangen en zich afvragen waar die bitterzoete smaak vandaan komt - de ouderen weten het al.) Of ze landen temidden van duizend andere druppels in een waterplas, waarin de langsdrijvende wolken weemoedig worden weerspiegeld.
Op een dag zullen die druppels weer wolken vormen.
Ik wilde dat ik een boom was, een hele grote, met een gigantisch bladerdek. Dan leek ik op een wolk, zonder ooit uit elkaar te hoeven vallen; als ‘t koud wordt blijft mijn essentie intact. En de bitterzoete regen zou me voeden.