23rd
Y?
“Wil je aardbeien of chocola?”
Ik kijk haar verbijsterd aan, de vrouw die me die vraag durft te stellen. Aardbeien of chocola? Zoete rode hemelkusjes of machtige donkere overweldiging?
“Nou? Wat wil je?”
Ze weet heel goed dat het de meest onredelijke vraag is die ze me mogelijkerwijs kan stellen. Ik schuif onrustig op mijn stoel. Ze kijkt me afwachtend aan. Ik bijt twijfelend op mijn lip. Ze laat haar kin op haar handpalmen rusten en tikt met haar vingertoppen tegen haar wang. Ik begin op mijn benen te trommelen, terwijl haar bekijken een bestuderen wordt. Ik voel me een experiment van een afstuderend sociologe die zich afvraagt hoe een Margotistisch subject reageert onder druk van een onmogelijke keuze.
“Maak je aantekeningen?” vraag ik. Mijn cynisme ontgaat haar. Ze staat onmiddellijk op om pen en papier te halen en begint te schrijven zo gauw ze weer zit. Naast haar staat een schaaltje met komkommerschijfjes, waaruit ze er af en toe eentje neemt.
“Waarom?” vraag ik.
“Voor later,” antwoordt ze.
Later. Natuurlijk. Alles - woorden, een koninkrijk, zelfs dromen - voor later. En wat komt er van nu? Nu was ook ooit later. Als ik moet kiezen (en kiezen moet altijd, kiezen is een manier van bestaan, een manier van voortbewegen, alsof je een weg zoekt door een levend, ademend doolhof dat constant een andere vorm aanneemt, maar waarin je moet blijven lopen, omdat hij je anders verzwelgt, verstikt en vermoordt; in feite maakt het ook niet uit welke keuze je maakt, als je er maar een maakt), aangenomen dus dat ik moet kiezen, dan kies ik liever voor nu dan voor later. Het hier en nu is een onverloochenbare zekerheid, het later en daar niet meer dan een illusie, een al dan niet te verwezenlijken scenario.
“Nou? Wat wordt ‘t?” Keuzes, verdomme. Ze kent mijn zwakke punten als geen ander. Ik haat keuzes.
“Aardbeien of chocola?” Klein of groot? Stuk of heel? Zoet of bitterzoet? Gelukkig of tevreden? Verwachting of verrassing? Nu of nooit? Alles of niets?
Kutwijf.
“Mag ik niet van allebei een beetje?” Ze nagelt me aan mijn stoel met een ijskoude blik, maakt me belachelijk zonder een woord te spreken, verwijt me alles wat ze zelf ook is, heeft, doet, wenst.
“Nee. Kies. Nu.”
“Maar ik wil aardbeien met chocoladesaus! Ik wil een chocoladereep met aardbeienvulling! Ik wil chocoladepasta met aardbeienjam! Ik wil chocolademelk met aardbeiensiroop!”
“Daar ga ik niet op in. Waar heb je nu zin in?”
“In chocola, geloof ik.”
“Nou, was dat zo moeilijk?”
“Ja! Vraag ‘t nog eens.”
“Wat?”
“Waar ik zin in heb!”
“…”
“Vraag ‘t dan!”
“Waar heb je zin in?”
“Aardbeien, verdomme! Aardbeien!”
“Je doet ‘t erom, hè?”
Nee. Niet eens. Aardbei of chocola? Knuffel of zoen? Engel of duivel?
Engelen bestaan niet zonder duivels! Aureolen worden hoog gehouden door duivelshoorns, dat spreekt voor zich. Een knuffelzoen, een dicht tegen elkaar aangekropen tongomhelzing, is de enige echte zoen. Alleen een knuffel is een slap aftreksel van een zoen, enkel een zoen is koud en kaal zonder knuffel.
Aardbei en chocola horen samen! (Slagroom optioneel.)
“Luister. Maak een keuze. En wat je ook doet: heb geen spijt.”
Ik slik. Het moet. Ik heb al te lang gewacht. De chocola begint een beetje wit uit te slaan en de aardbeien verliezen hun glans en hun kroontjes. Ik sluit mijn ogen en pak (1)een aardbei/(2)een stuk chocola.
(1) Ik kijk naar het volle rode vruchtvlees en zie hoe de vrouw de chocola in het vuur gooit, waar het smelt, bubbelt, rookt en stinkt. Ik kijk naar mijn aardbei, ik neem een hap en ik heb spijt. Ik mis de chocola.
(2) Ik kijk naar het romig stevige oppervlak en zie hoe de vrouw de aardbeien in het vuur gooit, waar ze borrelen, koken en een ondraaglijk warmzoete geur verspreiden. Ik kijk naar mijn chocola, ik neem een hap en ik heb spijt. Ik mis de aardbeien.