17th
De Meeuw (niet die van Tjechov)
Op een duin zit een man. Hij is geen mooie man en slechts misschien een gelukkige man. Hij komt vaak naar dat specifieke duin als hij waarschijnlijk ongelukkig is, om daar gewoon te zitten en niets ziend te staren naar de zee tot hij weer misschien gelukkig is. De krijsende meeuwen en het wuivende helmgras slepen herinneringen met zich mee die zich vermoeid fluisterend aandienen bij het gespitste oor van de misschien gelukkige maar waarschijnlijk ongelukkige man. Het zijn herinneringen als net niet rijpe bessen: zuur waar men zoet verwacht, maar al zo rood, zo rood.
Ooit had hij een meisje gekend. Ze was een lief klein meisje met rode vlechtjes, sproetjes over haar hele gezicht en een lach die klaterender was dan een late lenteregen. Hij was zeventien, zij vijftien en hij was hopeloos, reddeloos, grenzeloos verliefd op haar. Zij was de enige die hem had gekust, de enige die zijn lichaam kende. Hij herinnerde zich de warmte van de zomeravond, die bijna tastbaar was geweest, haar jonge meisjesborsten waar ook sproetjes op zaten en haar zachte zuchten in het donker tegen zijn huid. Hij was geen mooie man, maar die avond voelde hij zich prachtig.
“Weet je wat fijn zou zijn?” vroeg ze hem toen ze samen naar de ontluikende ochtend keken. Hij schudde afwachtend zijn hoofd. “Als we twee meeuwen waren en gewoon weg konden vliegen.” Waar naar toe, wilde hij weten. Dat deed er niet toe, vond zij. “Maar als ik ooit iets anders zou zijn, dan een meeuw.” Ze glimlachte tevreden en hij kuste haar. Hij geloofde oprecht dat hij van haar hield.
Ze was net zestien en hij bijna achttien toen ze stierf. Ze was van een groot, log, lomp, grijs, hoog, angstaanjagend flatgebouw gesprongen, zonder vleugels, maar krijsend als een meeuw. Hij geloofde oprecht dat ze van hem had gehouden. Ze zou nooit zonder hem zijn weggevlogen, bedacht hij. Ze was nu hoe dan ook in de hemel, als engel of als meeuw, en het enige wat hij wilde was weer bij haar zijn. Dus op een ochtend werd hij wakker met het vage residu van een beloftevolle droom in zijn hoofd: vleugels. Hij rende naar buiten, naar de duinen, het strand en keek naar de meeuwen. Eén meeuw kwam op zijn hoofd zitten – heel even maar – en vloog toen weg over de schuimkoppende golven. De toen bijna misschien gelukkige jongeman begon helmgras te plukken en met armenvol kwam hij thuis. Van het helmgras bouwde hij vleugels. Ze zagen er een beetje knullig en sprieterig uit, maar het waren onmiskenbaar vleugels. Buiten op het strand trok hij zijn vleugels aan en ging op het hoogste duin staan dat hij kon vinden. Hij riep naar de meeuwen, klapperde met zijn vleugels en hield zijn blik op de middagzon gericht. Zo bleef hij urenlang staan, tot de middagzon een avondzon en uiteindelijk een horizon was geworden, tot zijn vleugels uit elkaar vielen, zijn armen bewegingsloos langs zijn zijden vielen en alles donker werd.
De misschien gelukkige man staart uit over de zee, zonder iets te zien. Hij ruikt het gras, hoort de meeuwen en voelt het zand tussen zijn tenen. Het enige wat hij nog ziet is zijn meeuwenmeisje voor zijn geestesoog. Hij glimlacht wrang, terwijl hij met zijn tenen steeds dieper in het duinzand wroet. Zijn tenen worden wortels, zijn haren worden bladeren en de niet zo mooie man wordt een niet zo mooie boom. Maar de meeuwen nestelen in zijn kruin en in de holten van zijn oksels en de niet zo mooie man is misschien eindelijk gelukkig.