4th
Brug.
Er was eens een meisje dat een brug was. Ze spande over een rivier en onder een hemel. Op goede dagen was de hemel helder blauw, sereen en eindeloos; de rivier was een rustige stroom, zo helder, dat het meisje de kiezels op de bodem kon zien dansen. Op slechtere dagen was de hemel donker, asgrauw en gromde ze als een beest; de rivier was dan een kolkende massa schuimende watervlokken.
Het brugmeisje was een beetje bang voor de rivier - zowel voor haar heldere diepte als voor haar kolkende oppervlak. Het meisje hield echter zielsveel van de hemel, die altijd op haar neerkeek en zich over haar ontfermde, uitstrekte als een beschermende hand, een deken. Wolken waren zoete, zachte kussentjes en de zonnestralen zo warm als een regen van liefdeskusjes. Wanneer het regende voelde het brugmeisje zich verraden door de lucht. Haar vriend en toeverlaat spande samen met de rivier! O, wrede liefde! Wispelturig lot! Het waren echter ook altijd weer de stralen van de zon en de zachte adem van de wind die haar deden drogen. Ze kon nooit lang boos blijven op de hemel.
Het meisje dat een brug was, wist zichzelf het centrum van de wereld. Ze bevond zich immers tussen de hemel en de rivier, tussen de ene kant en de andere kant. Haar voeten rustten op een groene weidegrond en haar uitgestrekte handen op de zacht mossige grond van een loofbos. Een loofbos was een ongewoon gezicht op deze hoogte en het brugmeisje genoot er met volle teugen van. De kleuren in de herfst en de lente, de geuren van ouderdom en wedergeboorte, de geluiden van dieren en dansende bladeren. Het bos was een plaats vol beloften, de weide één van zekerheid.
Het zou vele jaren duren voordat het bij het brugmeisje zou beginnen te dagen dat het bos en de weide er niet waren om haar houvast te geven, maar dat zij er was om hen beiden te verbinden. Dat ze er was als opluchting voor verdwaalde reizigers, als troost voor doolaards of simpelweg als brug voor hen die wilden oversteken.