18th
Awkward
Het is alsof je voor iemands deur staat (laten we zeggen dat het de deur van een goede vriend is) en je belt aan, omdat je iets moet vertellen, maar er wordt niet open gedaan. Je kijkt naar binnen, probeert vast te stellen of er iemand thuis is. Er brandt licht, een tv staat aan - je kunt het door het raam heen horen - en in de asbak op de salontafel ligt een nog smeulende sigaret. Hij moet thuis zijn.
Dus je belt nog een keer aan.
Wanneer reactie uit blijft ga je teleurgesteld weer naar huis en neemt je voor het de volgende dag nog een keer te proberen. Eerst bel je nog beleefd aan, maar al gauw wordt het een kakofonie van getring: langgerekte trillende schreeuwen, korte metalige kreetjes en een serie drukken op de knop die, mits gecombineerd met de juiste melodie, een bekend liedje zouden (kunnen) vormen.
Nog steeds geen reactie.
Je ziet hem lopen, in z’n woonkamer. Je tikt op het raam. Tikken wordt kloppen, kloppen wordt rammen, maar zelfs wanneer het glas in de sponningen vibreert kijkt hij niet op of om. Misschien besta je niet eens. Zo onvoorstelbaar is dat plots niet meer.
En stel nou dat je dit wekenlang volhoudt, met een zeker gebrek aan regelmaat. Je verschijnt op zijn stoep, belt aan, hoopt tegen beter weten in dat hij de deur dit keer wel zal openen. Het wordt meer een gewoonte dan een levende behoefte. Trrrring. Stilte. Niets.
Maar dan op een dag bel je aan en - je hebt je al half omgedraaid om weg te lopen - gaat de deur open. Je staart hem een beetje overdonderd aan.
“Hoi.”
“Hoi.”
“Ik heb wekenlang geprobeerd je te spreken.”
“O. Heb je aangebeld?”
“Ja. En op je raam geklopt. Je was thuis, maar je deed niet open.”
“Ik hoorde je niet.”
“O.”
“Waar wilde je me over spreken?”
En dat is het moment waarop je beseft dat je het bent vergeten.