23rd
Echo.
De wind giert erdoorheen maar het is de wind niet, het is willen dat jij daar bent. Daar tussen de bomen die ik vanuit mijn kamerraam kan zien, in de schaduwen die de zon en de maan afwisselend op het gras en tussen de stammen werpen. Ik hoor er de wind - jouw ademhaling - die giert door jouw afwezigheid. De hortende uithalen zouden er niet zijn geweest als jij daar had gestaan. Je donkere haren wapperend in de wind, de vallende sterren in je ogen, je spiegelende glimlach. Het voelt nu zo leeg tussen de bomen. Bewegingsloos. Kaal. Jij was een vliegeraar, een ballonvaarder, een renner, een danser. Je zou pas stilstaan als je dood was, had je ooit gezegd. Ik dacht toen dat je een grapje maakte.
We hebben zo ver gereisd, jij en ik. Over bergen, door vuren, door mist. Zelfs door een waterval. Als ik je vroeg wat je zocht antwoordde je: “Niets” of “De regenboog”. En toen, op een stormachtige dag, was je weg. Geen briefje, geen afscheid, geen jij. Alleen de wind die door jouw afwezigheid heen waait.
Maar ik kan mezelf wel vermaken. Ik bouw wolkenkastelen op windstille dagen en lig uren in het gras te kijken naar de lucht. Ik praat wel met de bomen. Ik slaap onder de sterren. Ik zit bij de sintels van een stervend vuur. Rust heb ik nodig. Kalmte en bezinning. Stilstand, want achteruitgang is een fabeltje.
“Ik heb rust nodig,” zei ik tegen een betrouwbaar uitziende berk. “Rust en stilte. Van rust word ik gelukkig.”
De boom liet een bedenkelijke stilte vallen.
“O nee,” zei ik haastig, “dat dacht ik vroeger toen hij er nog niet was en beweging niet telde.”