27th
Schaduwspel
Ze lopen hand in hand over een stoep of een straat of een boulevard. De zomeravondzon maakt alles langer en groter en mysterieuzer dan het eigenlijk is. Hun schaduwen lopen voor hun uit. Hun stappen vergroeid, maar hun hoofden karikaturesk ver uit elkaar. Alsof ze ‘t erom doen.
Het koppel heeft de vingers vervlochten. Het schaduwkoppel ook, maar dat is niet te zien. Hun handen zijn een vormeloze klomp. Toch zou ieder er onmiddellijk het teder gebaar in herkennen. Het viertal vervolgt hun weg.
Aan de schaduw van het meisje valt niets vreemds te zien. De schaduw is langer dan zij zelf, uitgerekt, uitgesmeerd over de stoep. Alsof ze van rubber was en op een pijnbank heeft gelegen - een karikatuur van zichzelf dat de verkeerde eigenschappen benadrukt. De schaduwen rimpelen over de straatstenen, als water over de grond. Schaduwen kennen geen obstakels. De schaduw van de jongen is langer en breder dan hij, gladder, tegelijk donkerder en lichter dan hij. De paradox is onvermijdelijk. Het schaduwkoppel loopt op het lichtend stel vooruit, maar zou zonder hen niet kunnen bestaan.
De ironie.
Laat het schemeren en ons allen schimmen zijn.