11th
A Boy, A Girl and the Sun
Hij zat voor het raam op de vensterbank en wachtte. Zij zat in een luie stoel te lezen of te schrijven of te dromen of iets anders te doen waar een zekere mate van fantasie voor nodig was. Hij had een vergrootglas in zijn hand en staarde naar buiten.
“Waar wacht je op?” vroeg zij.
“De zon,” antwoordde hij.
Buiten hingen wolken als een bruidssluier over het land, wit als sneeuw en dun als spinrag. Zonlicht sijpelden zachtjes onder het wolkendek uit, maar stralen deed het nog niet. Dus hij wachtte.
“Straal,” mompelde hij, “straal… straal!” En plotseling, alsof iets of iemand hem had gehoord losten de wolken op in een gouden gloed die met de kracht van een hartstochtelijke zoen over de aarde stroomde. Hij sprong op, zij sprong op en rende naar buiten. Hij greep zijn vergrootglas en staarde erdoorheen naar de zon. Zij danste met wapperende haar en wuivende armen in het zonlicht, voelde de warmte op haar huid en lachte.
“Kom! Kom naar buiten! ‘t Is heerlijk weer!”
“Ja, ik zie het,” zei hij en bleef naar de zon kijken door zijn vergrootglas. Zijn ogen brandden en traanden van ontroering. “Zo mooi,” fluisterde hij, “zo mooi…”
Het werd langzaam donker in de kamer, terwijl het meisje buiten verder danste in het zonlicht.